Meer weten over dit product?

Stel een vraag of vraag documentatie aan:
  • CAD-bestanden, BIM-objecten en bestekteksten
  • Brochures en uitvoeringsvoorschriften
  • Projectondersteuning waar nodig

Omschrijving

Betonpannen worden uit betonspecie geperst en daarna verhard. Ze zijn bestemd voor schubvormige dakbedekking voor hellende daken. De dakpannen zijn er in diverse holle en vlakke modellen, die door en door gekleurd zijn en/of aan de voorzijde (zichtzijde) van een afwerklaag voorzien zijn. Betondakpannen zijn uitgevoerd met dubbele zijsluitingen, kopsluitingen ontbreken, hetgeen een snelle dekking bevordert. Vanwege deze eigenschap wordt de betonpan ook wel een sneldekpan genoemd.

Tevens is er met betonpannen ook een grotere vrijheid in de werkende lengte. In plaats van kopsluitingen zorgt de lengte-overlap en het zogenaamde windlabyrint ter plaatse hiervan voor de afdichting. De pannen zijn voorzien van nokken waarmee ze aan panlatten worden opgehangen, holle pannen recht boven elkaar of in verband, vlakke pannen in verband.

Meteen een product vinden? >> Betonpannen op NBD-Online

Kenmerken

  • Sneldekpannen;
  • Gewelfde en vlakke pannen;
  • Lichtgewicht betonpannen;
  • Gekleurde betonpannen.

Referentienummers

Samenstelling

Systeemopbouw

Betondakpannen zijn naar hun vorm (model) te onderscheiden in:

  • Holle betonpannen met een golfvormig geprofileerde dwarsdoorsnede en een gebogen (hol) of vlak waterafvoerend oppervlak. De zijsluitingen liggen hoger dan het waterafvoerend oppervlak. Holle pannen worden recht boven elkaar gedekt;
  • Vlakke betonpannen met een rechte dwarsdoorsnede en een vlak waterafvoerend oppervlak, al dan niet voorzien van een verhoogde wel. De zijsluitingen liggen hoger (verhoogde wel), dan wel iets lager (vlakke wel) dan het waterafvoerend oppervlak. Vlakke pannen met verhoogde wel worden recht boven elkaar, met vlakke wel in verband gedekt, dit laatste om de waterafvoer uit de zijsluitingen te bevorderen;
  • Pannen zonder kop- en zijsluitingen - leipannen.

Betonpannen zijn naar hun uiterlijk te onderscheiden in:

  • pannen zonder afwerklaag;
  • pannen voorzien van een acrylaat coating.
Elementopbouw

Holle betonpannen

Onderscheiden worden pannen met een holle en pannen met een vlakke afvoer. Holle pannen met een holle afvoer zijn er in drie modellen:

  • met twee nagenoeg symmetrische golven;
  • met twee asymmetrische golven;
  • met één golf.

Holle pannen met vlakke afvoer zijn er in twee modellen:

  • met twee symmetrische golven;
  • met één golf.

Vlakke pannen

Onderscheiden worden twee modellen:

  • met verhoogde wel;
  • met vlakke wel (zonder of met middengroef).

Algemeen

  • Holle en vlakke pannen hebben een dubbele zijsluiting, de wel bevindt zich rechts;
  • Kopsluitingen ontbreken, in plaats hiervan is de achterzijde aan de onderzijde van elke pan voorzien van twee dwarsribben waarmee de pan op een onderliggende pan rust. De ruimte tussen de ribben wordt het zogenaamde windlabyrint genoemd, eventueel opgestuwd regenwater ontspant zich hier;
  • De afdichting wordt verder grotendeels bepaald door de overlaplengte. Deze is binnen bepaalde grenzen variabel en hangt af van het panmodel en de dakhelling;
  • Elke pan is aan de achterzijde tevens voorzien van twee ophangnokken, twee of vier draagpunten, versterkingsribben en een verdieping in de zijsluiting, voor het vasthaken van een panhaak. Vlakke pannen kunnen i.v.m. gevelbekleding zijn voorzien van twee nagelgaatjes.

Leipannen

Dit pantype wordt ook wel tegepan genoemd en heeft geen kop- en zijsluitingen, heeft de vorm van vlakke, rechthoekige elementen, al dan niet afgerond aan de onderkant en wordt in verband, dubbel dekkend op het dak aangebracht.

Tegeppannen zijn voorzien van twee nokken voor ophanging aan de panlatten en twee nagelgaten voor bevestiging met nagels aan de panlatten.

Een product vinden? >> Betonpannen op NBD-Online

Materiaal

Betondakpannen worden samengesteld uit zand, cement en kleurstoffen (maximaal 6% van het cementgewicht in de specie) en koolzwart. Cementsoorten die toegepast worden zijn portlandcement, hoogovencement, portlandslakcement of gesulfateerd cement (NEN 3550). Volgens NEN-EN 490 moeten de kleurstoffen kleurhoudend zijn. Gekleurde betonpannen zijn altijd door-en-door gekleurd (dat wil zeggen met gekleurd betonmengsel en niet met een kleurcoating).

Fabricagemethode

De betonspecie wordt op aluminium mallen gestort en daarna geperst, waarbij gelijktijdig op de achterzijde de naam van de fabrikant en het pantype worden aangebracht. De voorzijde van de pannen en de overige in het zicht komende gedeelten kunnen worden voorzien van een afwerklaag (coating). De aldus geperste pannen worden onder geconditioneerde omstandigheden 12 uur verhard.

Na deze verharding worden de pannen met krimpfolie in pakketten verpakt en gedurende ± 21 dagen opgeslagen. Het productieproces verloopt veelal automatisch.

Betonpannen kennen één sortering.

Oppervlaktebehandeling
  • Pannen kunnen voorzien  zijn van een coating van gekleurde acrylaathars;
  • Of er is sprake van een tijdelijke afwerklaag (bijvoorbeeld een siliconepreparaat) die bedoeld is om het optisch storend effect van kalkuitbloei te ondervangen.
Hulpstukken

De volgende dakpanhulpstukken zijn zodanig gevormd, dat zij aansluiten op zowel dakpannen als dakbeëindigingen en dakaansluitingen:

  • Halve pannen (voor een aantal holle en vlakke modellen): te beschouwen als "paspannen" in de breedte, indien een dakvlak niet op hele pannen kan worden verdeeld; ook toe te passen bij hoek- en kilkepers;
  • Gevelpannen: voor afsluiting van dakzijkanten, in een linkse en een rechtse uitvoering. De maximale overlap bedraagt 100-130 mm;
  • Gevelaansluitpan: voor aansluiting van een dak tegen hoger opgaand werk, in linkse en rechte uitvoering;
  • Dubbele welpan (eindpannen): voor gevallen waar geen gevelpannen worden toegepast, kunnen het dak en de aansluiting bij een dakdoorbreking aan de linkerkant met dubbele welpannen worden afgedekt;
  • Chaperonpan: voor het afdekken van de nok bij lessenaarsdaken en eventueel voor aansluiting van een hellend dak op een plat dak aan de bovenzijde. Voor de dakhoekbeëindigingen zijn er chaperongevelpannen. Ook worden halve chaperonpannen vervaardigd;
  • Onderpan: voor afsluiting van de dakvoet (gootzijde) en ter verfraaiïng van het aanzicht;
  • Broekstukken: toegepast op ontmoetingen van nok naar hoekkeper;
  • Vorsten: voor afdichting van de nok en hoekkeper. De vorsten moeten worden vastgezet, hiertoe is een gaatje aan het smalle einde van de vorsten aangebracht. Bij vorsten behoren begin- en eindvorsten. De openingen tussen panprofiel en onderkant vorst kunnen worden dichtgezet met specie. Een meer gangbare methode is het afdichten van de nok m.b.v. zogenaamde ondervorsten. De vorsten worden dan in de overlap dichtgezet met kitsnoer. Vorsten zijn er ook in een uitvoering waarbij de vorsten koud tegen elkaar worden aangebracht;
  • Ventilatiepan: voor ventilatie van de ruimte tussen dakbeschot en dakpannen;
  • Doorvoerpan: voor het doorvoeren van afvoerpijpen van Ø 110, Ø 135 en Ø 180 mm;
  • Rioolontluchtingspan: voor aansluiting van rioolontluchtingen;
  • Gierzwaluwpan (niet voor alle modellen): speciale pan met los nestbakje (derden).
Toebehoren
  • Ondervorsten, die in combinatie met vorsten kunnen worden gebruikt, zijn geprofileerd volgens panvorm of universeel toepasbaar. Deze ondervorsten zijn van kunststof (PE of PVC). Kunststof ondervorsten kunnen worden toegepast voor nagenoeg elke dakhelling;
  • Hoekkeperstroken bestaan uit geïmpregneerde strippen verbonden met aluminium of kunststof stroken;
  • Panhaken op de dakpanmodellen afgestemd, vervaardigd van thermisch-verzinkt of roestvaststaal. Voor gevelpannen en dubbele welpannen bestaan speciale kophaken;
  • Snoerkit voor afdichting van onderlinge overlap van de vorsten;
  • Dakvoetprofielen die als vogeldichting dienst kunnen doen;
  • Vogelschroten en vogelmuischroten.

Voorts zijn er bij de verschillende modellen behorende lichtdoorlatende kunststof pannen, dakramen, prefab aansluitloketten (metaal of kunststof), dakkapellen en dakdoorvoeren van kunststof al dan niet in combinatie met aluminium, geprefabriceerde schoorstenen en zogenaamde zonnepannen (zonnepanelen die in hetzelfde vlak en stramien als vlakke betonpannen worden opgenomen).

Vorm en afmeting

Vorm

Zie Elementopbouw. Volgens NEN-EN 490 moeten door de fabrikant de vorm, de randaansluiting en de nok van de pan in een tekening worden vastgelegd.

Afmetingen

Ook ten aanzien van de afmetingen van de pan worden in NEN-EN 490 en in NEN-EN 491 voorschriften gegeven. Opgegeven moeten worden: de nominale lengte, de nominale breedte, de ophanglengte, de dekbreedte, de dikte en de nokhoogte.

De lengte moet ca. 420 mm te zijn de breedte ca. 330-440 mm.

De meeste in de handel verkrijgbare holle en vlakke panmodellen zijn 420 mm lang en ca. 330 mm breed, met een werkende breedte van 300 mm. Tegelpannen zijn ook de gangbare maten verkrijgbaar, maar ook kleinere afmetingen zijn mogelijk, zoals bv. 380 x 320 mm of 270 x 165 mm.

De werkende lengte (lengte van de dakpan minus de overlaplengte) is variabel en wordt bepaald door de vereiste overlaplengte. Deze is afhankelijk van de dakhelling en bedraagt minimaal 75 mm voor de holle en 75-200 mm voor de vlakke panmodellen.

De werkende breedte (panbreedte minus zijsluiting) is voor de pannen en hulpstukken, behalve voor de gevelpannen, gelijk aan de dekbreedte (zichtbaar afdekkend gedeelte van de dakpan of het hulpstuk, gezien vanaf de bovenzijde). Voor de pannen en de meeste hulpstukken bedraagt de werkende breedte gemiddeld 300 mm.

Het bepalen van de dekbreedte is vastgelegd in NEN-EN 490.

Toleranties

  • Volgens NEN-EN 490 zijn er ten aanzien van toelaatbare maatafwijkingen van de panlengte en -breedte geen eisen gesteld;
  • De toelaatbare maatafwijking op de maximale dekbreedte bedraagt +0,5 en op de minimale -0,5, op de dikte ± 2 en op de ophanglengte ± 5 mm.

Maatcoördinatie

  • Door de aard van de profielsluiting is er in de breedterichting nagenoeg geen speling. De werkende breedte van de pan kan in deze als een modulaire maat (3 M) worden gezien, mits op deze modulaire maat afgestemde hulpstukken worden toegepast. Het dak en de daarin voorkomende dakdoorbrekingen dienen dan ook op het maatsysteem van de pannen te worden afgestemd;
  • In de lengterichting bedraagt de speling 25 mm, indien pannen met een overlapmogelijkheid tot 100 mm worden toegepast (100-75-25 mm). Hierdoor en door het ontbreken van een kopsluiting kan men in de lengterichting van het dak, met in acht name van de minimale overlap, altijd werken met hele pannen.
Gewicht
  • Gangbare panmodellen, gemiddeld: 41-50 N per stuk; 410-500 N/m2;
  • Lichtgewicht panmodellen: ≈ 30 N per stuk; ≈ 300 N/m2;
  • Leipannen, het kleinste model: 11,2 N per stuk; 605-754 N/m2.

Het werkelijke gewicht is afhankelijk van de dakhelling en de overlap van de pannen.

Uiterlijk

Oppervlaktestructuur

De zicht- en achterzijde van betonpannen is glad. In NEN-EN 490 staan eisen ten aanzien van uiterlijk en afwerking vermeld.

Kleur

De pannen kunnen effen gekleurd of genuanceerd zijn. De meest voorkomende effen kleuren zijn: antraciet-zwart, bruin, groen en rood.

Neveneffecten

De bij de hydratatiereactie gevormde (niet gebonden) kalk in de pannen kan zich op nieuwe, niet gecoate pannen als een wit waas manifesteren (kalkuitbloei of -uitslag).

Door regenwater zal deze kalkuitslag opgelost worden en na verloop van tijd verdwijnen.

Prestaties

Mechanische eigenschappen

Productsterkte

Volgens NEN-EN 490 en in NEN-EN 491 moet de weerstand tegen breuk van elke pan tenminste 1.500 N bedragen.

In art. 6.3.3. wordt bepaald dat de sterkte van de ophanging, dit is de kracht waarbij de nok of nokken van de pan afbreken, tenminste 1.000 N moet bedragen.

Beproevingsresultaten voor de diverse panmodellen geven waarden die ruimschoots aan de in beide artikelen gestelde eisen voldoen.

Holle pannen zijn,behalve ter plaatse van de sluitingen, op de plaatsen waar de pannen ondersteund worden, beloopbaar, mits dit deskundig geschiedt.

Materiaalsterkte

Volgens NEN-EN 490 en in NEN-EN 491 moet de karakteristieke buigreksterkte (sbtk) tenminste 6 MPa (N/mm2) bedragen.

Vuur, explosie

Brandbaarheid

Betondakpannen zijn onbrandbaar.

Betondakpannen voldoen naar de aard van het materiaal aan de in NEN 3882 gestelde eis betreffende het niet brandgevaarlijk zijn onder invloed van vliegvuur.

Gassen, vloeistoffen, vaste stoffen

Waterdichtheid

Onder de in NEN-EN 491 beschreven omstandigheden mag binnen 24 uur geen druppel van de achterzijde van de pan afvallen.

Regendichtheid

Volgens NEN-EN 491 mag bij een regenintensiteit van 2,7×10-2 mm/s en een windsnelheid van 12 m/s, het doorslagpercentage bij de gebruikelijke dakhellingen niet meer dan 2% van het opgevallen water bedragen.

Bij de beproevingsuitslag dient te worden vermeld bij welke overlap aan deze eis wordt voldaan.

Verschillende panmodellen zijn op water- en regendichtheid onderzocht en blijken aan de gestelde eisen te voldoen.

Vochtopname

De wateropname van betondakpannen bedraagt volgens laboratoriumproeven ca. 8% van het droge gewicht.

Bestandheid

Vanwege de niet geheel gladde afwerking kan aanhechting van natuurlijke aanslag zoals algvorming en mosaangroei op pannen aan de schaduwzijde van een dak plaatsvinden.

Geleiding

De warmtegeleidingscoëfficiënt voor droge pannen bedraagt ca. 1 W/(m·K) en voor natte pannen ca. 1,5 W/(m·K) en levert nagenoeg geen bijdrage aan de vereiste warmteweerstand. Dit houdt in dat bij een dakbedekking met betondakpannen een thermische isolatielaag moet worden toegepast.

Bestandheid

Betondakpannen zijn bestand tegen vorst.

In NEN 2872* wordt de methode beschreven voor de bepaling van de bestandheid tegen vorst.

*norm per 25 juli 2017 ingetrokken - red.

Optische eigenschappen

Kleurechtheid

Fabrikanten van betondakpannen geven vaak aan dat hun producten kleurecht zijn. In tegenstelling tot een garantie op kleurechtheid voor keramische pannen, wordt die vaak voor betonpannen niet afgegeven. Er zijn dakpannen op de markt gebracht met coatings die bijvoorbeeld micromortel met polymeren bevatten. Het vuil hecht zich daar niet zo vast aan als aan beton en kan door de regen gemakkelijker weggespoeld worden. Daardoor wordt de verkleuring vertraagd. Vraag hierover meer informatie aan bij de fabrikanten.

Toepassing

Bruikbaarheid, functioneel

De meeste modellen betondakpannen kunnen zonder extra voorzieningen worden toegepast voor hellende daken met een dakhelling van 25° - 60°.

Voor dakhellingen tussen 15-25° of  tussen 7-15° gelden aanvullende eisen. Ga ook na of bij toepassing van de betonpannen bij deze flauwe hellingen de garantie nog afgegeven wordt.

Een product vinden? >> Betonpannen op NBD-Online

Bruikbaarheid, economisch

Door het ontbreken van kopsluitingen (variatie in overlaplengte) en het grote panformaat kunnen betondakpannen sneller verwerkt worden dan andere vergelijkbare schubvormige dakbedekkingen.

Ontwerpdetails

Dakschild

Hoewel er van de zijde van de betrokken fabrikanten geen duidelijke richtlijnen worden gegeven voor wat betreft afloopsnelheid en hoeveelheid opgevallen regenwater is het zinvol het dakschild niet langer te maken dan de helft van het aantal graden van de dakhelling in meters.

Dakbeschot

Het dakbeschot kan zijn samengesteld uit geschaafde en geploegde delen, dakbeschotplaten of -panelen.

Het dakbeschot moet stijf, winddicht en lekwaterafvoerend zijn. Eventuele stuik- en langsnaden vragen bijzondere zorg.

Op daken met een helling tussen 15° en 25° is een mandragende, waterkerende en dampdoorlatende folie op het dakbeschot en voldoende vrije tengelhoogte in verband met de ventilatie vereist. Dampdoorlatendheid is nodig voor het eventuele damptransport van binnen naar buiten. De verwerking van deze laag dient in overlappende horizontale banen te geschieden. De meeste fabrikanten geven per pannensoort aan bij welke minimum dakhelling de betonpan nog toegepast kan worden.

Bij dakhellingen < 15° zijn een volledige waterdichte, dampdoorlatende laag en voldoende vrije tengelhoogte in verband met de ventilatie noodzakelijk. Er zijn leveranciers die ook voor toepassing van betonpannen op zulke flauwe hellingen een apart panmodel hebben ontwikkeld. In het algemeen zal men echter geen dakpannen toepassen op daken flauwer dan 15°.

Op daken steiler dan 60° dienen alle dakpannen en hulpstukken te worden verankerd met panhaken. Vorsten moeten altijd worden verankerd.

Isolatie

Het thermisch isoleren van de dakconstructie door het ter plaatse spuiten of blazen van het isolatiemateriaal in de spouw tussen de bedekking en het dakbeschot is mogelijk, mits rekening is gehouden met de hieraan verbonden bouwfysische aspecten, zoals:

  • het ontbreken van een doorgaande ventilatie;
  • de kans op condensatie op het dakbeschot;
  • de dampremmende werking van de isolatie.

Het verdient aanbeveling bij eventuele toepassing de dakpanfabrikant te raadpegen.

Tengels

De onderlinge afstand van de tengels is afhankelijk van de zwaarte van het dakbeschot ern de afmetingen van de panlatten en is in het algemeen niet groter dan 600 mm.

Bij toepassing van isolatiemateriaal op het dakbeschot moet met een minimale vrije tengelhoogte van 10 mm gerekend worden en bij dakhellingen tussen 15-25° met minimaal 20 mm. Fabrikanten kunnen voor bepaalde gecombineerde systemen ook ander vrije tengelhoogtes voorschrijven.

Panlatten

De panlatten mogen onder de gebruikelijke belastingen niet doorbuigen. De afmetingen van de panlatten zijn afhankelijk van de tengelafstand. Bij een tengelafstand kleiner dan 350 mm bedraagt de panlatafmeting 22 x 32 mm en bij een grotere afstand is deze 32 x 38 mm.

Latafstand en dekkende breedte

De onderlinge afstand van de panlatten is de maat van voorkant panlat tot voorkant van de volgende panlat, deze maat is gelijk aan de werkende lengte van de dakpannen. De latafstand wordt bepaald door de lengte van het dakvlak en de bij de dakhelling behorende minimale overlap. Deze laatste wordt door de fabrikant opgegeven.

De bovenste panlat moet zodanig worden aangebracht, dat de bovenste rij pannen goed onder de nokvorsten komt te liggen.

Veelal is de afstand van de bovenste panlat tot het noksnijpunt (noksnijpunt = snijlijn van de bovenkant van de tengels en het hart van de ruiter) bij een "zelfventilerende" nokconstructie maximaal 40 mm en bij een dichte nokconstructie maximaal 20 mm.

De onderste panlat kan ca. 50 mm van de onderrand van het dakbeschot aangebracht worden en dient ca. 15 mm hoger te zijn dan de overige panlatten, omdat hiermee een pandikte verschil moet worden opgevangen, zodat de onderste pannenrij dezelfde helling krijgt als de overige pannen.

De onderste panlat moet recht "aan de draad" aangebracht worden, waarna de overige panlatten, bijvoorbeeld met een mal, evenwijdig hieraan worden bevestigd.

Nokafwerking

De ventilatie-opening aan de nok is voldoende, wanneer een zogenaamde "zelfventilerende" constructie met ondervorsten en een "open" ruiter wordt toegepast. Bij een dichte nokconstructie (aangesmeerd met specie) met ventilatiepannen wordt als algemene richtlijn aangehouden één ventilatiepan per 12,5 m2 dakvlak. Voor daken met een helling < 20° wordt één ventilatiepan per 7,5 m2 dakvlak toegepast.

Alternatieve toepassingen

Ook betondakpannen zijn geschikt om als gevelbekleding toe te passen. Raadpleeg daarvoor wel de voorschriften van de fabrikanten en ga ook na of er op betondakpannen die als gevelbekleding worden toegepast garantie wordt gegeven.

Verwerking en montage

Materiaalverbruik

Het aantal benodigde dakpannen/leipannen per m2 dakvlak is afhankelijk van het toegepaste model en bedraagt bij 75 mm overlap:

Panmodel Aantal/m2 dakvlak
holle pannen met holle afvoer    
- twee golven   9,7
- één golf     16,4
holle pannen met vlakke afvoer     
- twee golven     9,7
- één golf     15
vlakke pannen     
- met verhoogde wel   16,4
- met vlakke wel   9,7
leipannen     68 (overlap 90 mm)
Voorbereiding

Voor een juiste breedte-indeling verdient het aanbeveling van te voren een rij pannen uit te leggen.

Na het aanbrengen van de tengels en de panlatten volgens de werkende lengte kan met het dekken begonnen worden.

Verwerking

Dekken

  • Het verticale transport van de begane grond naar het dak geschiedt veelal met behulp van een pannenlift;
  • De dakpannen worden van rechts naar links en van onder naar boven gedekt en dienen van goot naar nok een rechte lijn te vormen;
  • Links en rechts van een dak wordt bepaald door met het gezicht naar het dak te gaan staan. Bij het gebruik van sommige kleuren dienen pannen uit verschillende pakketten door elkaar verwerkt te worden, teneinde een betere kleurschakering te krijgen.

Nokafwerking

  • Indien een dichte nokconstructie wordt toegepast, moet de specie hiervoor als volgt zijn samengesteld: 1 cement, 2 gebluste kalk (stucadoorkalk) en 9 zuiver scherp zand;
  • Voor specie op kleur niet meer dan 400 - 500 g kleurstof per 60 liter specie toevoegen. (Verbruik ca. 60 liter per 10 m1 nok). De specie wordt zodanig vooraf op de binnenzijde van de vorst en op de bovenste pannenrij aangebracht, dat bij plaatsing van de vorsten specie op specie wordt gebruikt;
  • Tijdens de verharding de vorsten niet stoten of belasten;
  • De verwerking met specie alleen bij droog weer uitvoeren;
  • Zo nodig de vorsten vooraf in water dompelen om te snelle uitdroging van de mortel te voorkomen;
  • De dekrichting van de vorsten is tegengesteld aan de meest voorkomende windrichting.

Bevestiging

  • Bij een dakhelling van meer dan 60° is verankering met panhaken noodzakelijk. De pannen in dat geval verankeren in de eerste drie rijen vanaf de gevels, in de eerste twee rijen vanaf de nok, in de onderste rij, alsmede rondom dakdoorbrekingen;
  • De overige pannen om de andere verankeren. Panhaken tegen de panlatten nagelen of klemmen;
  • Nokken altijd vastzetten, alsook de pannen en hulpstukken op plaatsen waar rukwinden en sterke windwervelingen te verwachten zijn.
Verwerkingstijd

Afhankelijk van model en aantal per m2 te verwerken dakpannen. Voor holle pannen, bij een dakhelling 30°, kunnen de volgende richtlijnen in manuren gegeven worden:

  • dakpannen: 0,13 per m2;
  • vorsten: 0,24 per m1;
  • gevelpannen: 0,10 per m1.

Voor dakdoorbrekingen een extra toeslag rekenen.

Bescherming

Het belopen van de pannen tijdens het dekken dient ter voorkoming van beschadigingen van de pannen alleen ter plaatse van de panlatten te gebeuren.

Keuring

In NEN-EN 491 staan de voorschriften vermeld die gelden voor de keuring, respectievelijk beproeving van betondakpannen.

Bewerkbaarheid

Dakpannen en hulpstukken kunnen met een steenzaag of doorslijpschijf worden gezaagd.

Veiligheid

Door Volandis (voormalig Arbouw) is er een advies opgesteld voor het veilig werken op hellende daken (pannen). Publicatie A-blad Hellende daken geeft ook richtlijnen voor veilig werken op hellende daken.

Onderhoud

Onderhoud

Betondakpannen vergen in het algemeen geen onderhoud.

Reparatie

Beschadigde dakpannen of hulpstukken kunnen eenvoudig worden vervangen

Kwaliteit en garantie

Certificering

Door KIWA worden voor betondakpannen die voldoen aan bepaalde eisen, kwaliteits- en beoordelingsverklaringen (KOMO attest-met-certificaat) afgegeven. Deze verklaringen bevatten o.a. de volgende gegevens: specificatie van het product, verwerkingsvoorschriften, toepasbaarheid en beproevingsresultaten.

Garantie

Veel leveranciers geven 30 jaar garantie op betonnen dakpannen.

Economische factoren

Prijzen

De kostprijs voor levering van dakpannen op het werk is van diverse factoren afhankelijk. Zo is het type, het aantal en de soort dakpanhulpstukken van invloed op de prijs per m2 dakvlak. Voor het verkrijgen van een juiste prijs verdient het de voorkeur een offerte aan te vragen.

Levering

Door fabrikant of via erkende handelaren in bouwmaterialen. Franco op het werk. Bij bestelling opgeven: model, kleur, hoeveelheid, benodigde hulpstukken en adres van levering en bij gevelpannen moet worden opgegeven linkse of rechtse uitvoering.

Technische service

De fabrikanten van betondakpannen kunnen nadere gegevens verstrekken en voor begeleiding zorgen.

Milieu en gezondheid

Duurzaamheid

Betonpannen worden verhard door droging aan de lucht en worden niet gebakken. In dat opzicht wordt de betonpan ook wel milieuvriendelijker genoemd dan de keramische pan.

Uit de ervaring met in de praktijk uitgevoerde objecten en de garantie die de fabrikanten geven, mag een levensduur van tenminste 30 jaar verwacht worden (mits ononderbroken toegepast).

Er zijn ook betondakpannen op de markt gebracht met een speciale toplaag titaniumdioxide (TiO₂) in de micromortel. Deze oppervlaktelaag van de pan met titaniumdioxide wordt fotokatalytisch door het Uv-lich waardoor NOx (stikstofoxide) van uitlaatgassen door verkeer, industrie en verwarmingstoestellen wordt gezuiverd en omgezet in niet schadelijke stoffen zoals NO3- (nitraatmoleculen).

Referenties

Geraadpleegde en ter zake doende literatuur

Documentatie van verschillende leveranciers

Volandis (voormalig Arbouw)

Bent u deskundige en op de hoogte van meer ontwikkelingen op het gebied van betonnen dakpannen?

Schroom dan niet om ons te informeren met een e-mail naar redactienbd@vakmedianet.nl.

NEN-normen

NEN-EN 490

Betonnen dakpannen en hulpstukken voor dakbedekking bekledingselementen - Productspecificaties

NEN-EN 491

Betonnen dakpannen en hulpstukken voor dakbedekking en bekledingselementen - Beproevingsmethoden

NEN 3550

Cement volgens NEN-EN 197-1 of NEN-EN 14216, met aanvullende speciale eigenschappen - Definities en eisen

NEN 6063

Bepaling van het brandgevaarlijk zijn van daken

NEN 6707

Bevestiging van dakbedekkingen - Eisen en bepalingsmethoden