Meer over de technische eigenschappen

Dit artikel sluit aan op Basiskennis Bouwkunde Beglazing, beglazingssystemen. Omwille van de leesbaarheid hebben we de informatie over de technische eigenschappen van beglazing in dit aparte thema-artikel geplaatst.

 

Mechanische eigenschappen van beglazing

Productsterkte

Normaal gesproken zijn glasplaten het kwetsbaarste onderdeel van de constructie waarin ze zijn opgenomen. Afhankelijk van de gewenste veiligheid wordt draadglas, voorgespannen glas of gelaagd glas toegepast.

 

Glassoort

Slagvastheid

Buigsterkte, N/mm2

Floatglas

geen

42

Draadglas

beperkt

35

Thermisch voorgespannen glas

beperkt

200

Chemisch voorgespannen glas

 

350

Gelaagd glas

afhankelijk van de opbouw: gering tot zeer goed

afhankelijk van de opbouw: 200

Isolerend dubbelglas

afhankelijk van de opbouw: beperkt

42

 

Inbraakwerend glas

Het Politiekeurmerk voor Veilig Wonen (PKVW) verstaat onder inbraakwerende beglazing het kwaliteitsniveau P4A gelaagd glas (enkel of dubbel). Daar kan bij enkelglas aan gelaagd glas 44.4 gedacht worden en bij dubbelglas aan floatglas/thermisch versterkt/gelaagd glas – spouw – gelaagd glas 44.4.

 

De notering 44.4 betekent dat er twee lagen glas van 4 mm worden toegepast met daartussen 4 lagen PVB folie.

Vuur, explosie en beglazing

Brandbaarheid

Glas is onbrandbaar.

 

Brandwerendheid

Onbehandelde glasplaten en glasplaten zonder extra toevoegingen leveren geen bijdrage aan de brandwerendheid van de constructie waarin ze worden verwerkt. Met speciale brandwerende glassoorten is echter wel een hoge mate van brandwerendheid te bereiken. Bij gelaagd glas wordt de brandwerendheid bepaald door het aantal glasplaten en het soort glas, en het aantal, de dikte en soorten van de verschillende tussenlagen. Draadglas wordt tegenwoordig niet tot nauwelijks meer toegepast als brandwerend glas.

Ter indicatie onderstaande tabel:
 

Glassoort

Brandwerendheid, minuten

Floatglas

1-2

Dubbelglas

2-5

Draadglas

15-60

Voorgespannen glas

15

Draadglas

1-15 of 15-60

Brandwerend glas:

 

- dubbelglas

60

- gelaagd glas

60-90

- enkelvoudig glas

60-120


 

>> Lees er meer over in ons thema-artikel Brandwerend glas

Gassen, vloeistoffen, vaste stoffen en beglazing

Luchtdichtheid, waterdichtheid

Omdat drukvereffenende beglazingssystemen in open contact staan met de buitenlucht, moeten de sponningen voorzien worden van beluchtings- en afwateringsgaten. Daarvoor worden de volgende minimale afmetingen aangehouden:
 

  • In onderdorpel langer dan 600 mm: 1 opening;
  • In langere onderdorpels: minimaal 2 openingen.

 

Een opening kan zijn een gat van met een diameter van 8 mm of een sleuf van 5 x 25 mm. Andere afmetingen mogen, maar dan moet wel worden aangetoond dat ze voldoen. Afmetingen die kleiner zijn komen moeilijk door de keuring, omdat die sneller dichtslibben en dus eerder schoongemaakt moeten worden (NPR 3577).

 

Thermische eigenschappen van beglazing

Uitzetting

Lineaire uitzettingscoëfficiënt glas (α): 8-9∙10-6K-1.

 

Geleiding

Warmtegeleidingscoëfficiënt glas (λ): 0,8 W/m∙K.

 

Enkelvoudig glas heeft een geringe weerstand tegen warmtedoorgang. Isolerend dubbelglas heeft door de ingesloten spouw hogere isolatiewaarden. De warmtedoorgangsscoëfficiënt van glas (Ugl) wordt in hoofdzake bepaald door de dikte van de luchtspouw die tussen beide samenstellende glasplaten bevindt. Maatgevend voor de werking van het isolerend dubbelglas is dat de lucht in de spouw zo droog is, dat normaal geen condensatie tussen de ruiten kan optreden. Een relatief lage Ugl-waarde kan worden bereikt door de spouw te vullen met een speciaal gasmengsel (argon of krypton). Met dit HR++ glas zijn Ugl-waarden te behalen tussen 1,1-0,7 W/m2K.

 

De norm NEN 7120 Energieprestatie van gebouwen (EPG) schrijft voor alle transparante delen gezamenlijk een gemiddelde warmtedoorgangscoëfficiënt van 1,65 W/m2K voor, die moet worden berekend volgens NTA 8800, met een maximum van 2,2 W/m2K per afzonderlijk transparant deel. Maar bij actieve gevels moet worden gestreefd naar nog lagere waardes van 1,2-0,5 W/m2K.

 

Maar de U-waarde van een kozijn of pui met beglazing wordt niet alleen bepaald door de Ugl (voor het glas), maar ook door Ufr (voor het frame). Met HR+++ glas zijn Ugl-waarden te behalen tussen 1,1-0,7 W/m2K. Het Ufr loopt nogal uiteen, van 7,6-0,81 W/m2K (afhankelijk van het kozijnmateriaal). Daarbij is als vuistregel aan te nemen, dat hoe hoger de aanzichtbreedte van het profiel is, hoe lager de Ufr uitvalt (bij gelijke inbouwdiepte). Maar om op een zo laag mogelijke U-waarde uit te komen, wordt juist aangeraden om zoveel mogelijk glas te verwerken met zo min mogelijk profielen.

 

Randaansluitingen

De uiteindelijke gemiddelde Uw-waarde van een vliesgevel wordt niet alleen bepaald door het glas en de profielen. Ook de randaansluitingen doen een duit in het zakje. Hoe die drie componenten zich tot elkaar verhouden is vastgelegd in de NEN-EN-ISO 10077-1 en 2 en komt op het volgende neer:
 

Uw = Ufr-waarde x Af + Ugl-waarde x Ag + ψ-waarde x Lg

                                              Aw
 

Met daarin:

Af : het van buiten zichtbare oppervlak aan aluminium

Ag: het zichtbare oppervlak aan glas

ψ-waarde: drukt het warmteverlies uit naar de buitenlucht bij de aansluitingen  (lineaire warmtedoorgangscoëfficiënt)

Lg: lengte van de glasrandaansluiting

Aw: totale oppervlak van het kozijn

 

Dit laat ook zien dat de stel-, steun- en spatieblokjes een rol spelen in het garanderen van een hoge U-waarde. Daarom worden er bij HR++ en HR+++ glas TPS afstandhouders (ThermoPlastic Spacer) gebruikt, die van thermoplastisch materiaal zijn gemaakt waarin een droogmiddel zit zonder warmtegeleidende metalen. Hiermee bereikt men een hogere thermische isolatie langs de randen van het isolatieglas (tot 0,3 W/m2K) en wordt condens aan de binnenzijde sterk gereduceerd.

 

Raadpleeg hiervoor ook BRL 3105: Isolerend dubbelglas voor thermische isolatie met TPS-randafdichting.

 

Straling, absorptie
Zontoetredingsfactor

De zonwerende werking van glas wordt gekenmerkt door de verhouding tussen de hoeveelheid doorgelaten zonnestraling (zowel direct als indirect) en de totale hoeveelheid opvallende zonnestraling.

 

Het quotiënt van deze twee grootheden wordt de absolute zontoetredingsfactor, ZTA, die in veel publicaties ook wel gelijkgesteld wordt aan de g-waarde. Maar de g-waarde is altijd hoger dan de ZTA omdat de zontoetreding loodrecht op het glas minder reflectie geeft. De g-waarde voor glas wordt volgens NEN-EN 410 vastgesteld.

 

Zie de overzichtstabel voor gemiddelde getalwaarden, die uitsluitend als oriëntatie dienen ter vergelijking met de overige in de tabel genoemde ZTA-waarden.

 

Lichttoetredingsfactor

Het verminderen van de hoeveelheid door een glasopening doorgelaten zonnewarmte gaat gepaard met het verminderen van de hoeveelheid doorgelaten daglicht (de zichtbare zonnestraling). In veel gevallen is dit een gewenst nevendoel, maar soms wordt dit ook ervaren als een ongewenst bijverschijnsel. De waarneembare hoeveelheid doorgelaten daglicht is afhankelijk van:
 

  • de intensiteit van de opvallende lichtstraling;
  • de spectrale doorlaatbaarheid van beglazing (en eventueel zonweringsysteem);
  • de spectrale gevoeligheid van het menselijk oog;
  • de spectrale samenstelling van het zonlicht.
     

De laatstgenoemde drie factoren bepalen de waarneembare hoeveelheid daglicht. De absolute lichttoetredingsfactor, Tv-waarde (= oude LTV), bestaat uit het quotiënt van de hoeveelheid doorgelaten daglicht en de totale hoeveelheid opvallend daglicht en is kenmerkend voor de lichtwerende werking van het zonweringsysteem.

 

Zie de overzichtstabel voor een indicatie van de gemiddelde Tv-waarde.

 

>> Lees er meer over in ons thema-artikel Zonwerend glas

Akoestische eigenschappen van beglazing
 

>> Lees er meer over in ons thema-artikel Geluidwerende beglazing