Van ambacht tot industrie

Als wij op een mooie zomerdag vanuit onze werkplek verlangend naar buiten kijken, vermoeden we vaak niet dat mensen vanachter het raam al meer dan een eeuw hun gedachten verplaatsten naar oorden die zich aan de andere kant van de ruit bevinden. Met gepaste weemoed kijken we terug.

 

Van mondgeblazen naar mechanische productie

Uit de 19e eeuw stammen allerlei pogingen om in plaats van het mondgeblazen cilinderglas op een mechanische manier vensterglas te maken, onder meer door de Brit William Clarke in 1857 en de Amerikaan Parish in 1881. Uit een oven werd een brede band stroperig glas omhoog getrokken in een verticaal geplaatste koelschacht. Deze band vervormde echter al snel tot een driehoek die in een draad eindigde.

 

In 1902 lukte het de Amerikaan John H. Lubbers een procedé te ontwikkelen tussen getrokken en geblazen glas. Een aan een luchtdrukleiding gekoppelde pijp werd en een bad vloeibaar glas gedoopt. Ook nu werd er, echter onder toevoer van voldoende lucht, glas omhoog getrokken en ontstond er een glazen cilinder, met een hoogte van 9 a 10 meter en een diameter van 50 a 60 centimeter.

 

Introductie van de debiteuse

Deze methode delfde echter het onderspit doordat tegelijkertijd de Belgische ingenieur Emile Gobbe er in slaagde om het vervormen van de glasband te voorkomen door dat tijdens het trekken ook van onderaf omhoog te drukken. Vanaf 1905 kreeg Gobbe hulp van de Belgische glasfabrikant Emile Fourcault. Samen verbeterden zij het proces door de glasband niet direct uit het glas te trekken, maar via een balk van vuurvaste steen, een zogenaamde debiteuse. Deze balk had een lange sleuf in het midden en dreef op de glasmassa. Door zijn gewicht duwde het via de sleuf het glas omhoog. Door even hard aan het glas te trekken als het omhoog geduwd werd, bleef de glasband in tact. De spanning in het glas en de trekstrepen waren de nadelen van dit systeem.

 

De eerste koeloven

In 1915 werd het iets afwijkende Libbey-Owens systeem gelanceerd, waarbij de glasband vlak boven de trekbalk omgebogen werd en horizontaal werd gekoeld in een 60 meter lange koeloven. Het glas koelde langzaam af om het spanningsvrij te maken. Daardoor was het iets zachter, waardoor het zich eenvoudiger liet snijden en slijpen.

 

Een verbetering was het Pittsburgh systeem uit 1921, waarbij er geen debiteuse in de glasmassa dreef, maar het glas omhoog werd getrokken langs een balk die 10 centimeter onder het glasoppervlak was bevestigd.

 

Renovatie

Bij renovatie van gebouwen van voor 1915 die onder Monumentenzorg vallen moet het bestaande glas zoveel als mogelijk hergebruikt worden. Voor niet meer te behouden schijvenglas of kroonglas kan cilinderglas gebruikt worden, dat in onder meer Duitsland en Frankrijk nog geblazen wordt. De afmetingen hiervan zijn echter zeer beperkt. Ook getrokken glas wordt nog in Duitsland en Frankrijk gemaakt. Bij het snijden moet men echter rekening houden met snijverlies als gevolg van de trekstrepen in het glas, die alle in dezelfde richting horen te lopen. Er is ook modern monumentaal glas op de markt, waarbij het authentieke uiterlijk met de moderne technieken van tegenwoordig wordt geproduceerd.