Hoe houden we dit gevoelig huwelijk in stand?

Hout bevat van nature vocht. Maar omdat we onze houten kozijnen en tuinmeubilair graag lang mee willen laten gaan, worden ze met verf afgewerkt. En laten verf en vocht nou niet de beste vrienden van elkaar zijn. Hoe dat zit, leggen we hieronder uit.

 

Opbouw van hout en vochtgehalte

Hout bevat 40-45% van het droge gewicht aan cellulose in de vorm van lange cellulosemoleculen. Deze cellulosemoleculen vormen op hun beurt elementaire vezels waaruit de zogenaamde microvezels zijn opgebouwd. De holten tussen de microvezels zijn gevuld met lignine, een isotrope, amorfe stof die zorgt voor het verhoutingsproces. Het gehalte aan lignine is voor naaldhout 25-35% en voor loofhout 15-25% van het droge gewicht. De rest van het hout bestaat uit hemicellulosen. Dit zijn suikerachtige stoffen met een amorfe structuur, die vocht in de celwand vasthouden. Dit gebonden vocht wordt het imbibitiewater genoemd, terwijl al het eventueel overige in het hout aanwezige vocht het vrije water wordt genoemd. De imbibitiegrens (imbibitiemaximum of vezelverzadigingspunt) is het percentage waarbij de celwanden verzadigd zijn. Voor naaldhout ligt deze grens bij ca. 30%, voor loofhout tussen 25-30% van het droge gewicht.

 

Het evenwichtsvochtgehalte is het vochtgehalte van een houtsoort bij een bepaalde relatieve vochtigheid van de lucht. Dit verandert, zij het vertraagd, met een toename dan wel afname hiervan. Om krimp- en zwelllingsverschijnselen zoveel mogelijk te voorkomen is het belangrijk dat hout tijdens en na de bewerking een vochtgehalte heeft dat overeenkomt met het gemiddelde vochtgehalte dat het in de praktijk zal aannemen. De  KVT kwaliteitseisen verwijzen naar SKH publicatie 99-05, waarin het toepassingsvochtgehalte en de krimpklasse worden gespecificeerd.

 

Vochtgehalte en verfsysteem

Afhankelijk van het vochtgehalte kunnen de volgende verfsystemen worden toegepast, bij een vochtgehalte van:

  • 9-16%: universeel verfwerk
  • 16-21%: vochtregulerende verfsystemen
  • 22-30%: ongeschikt voor verfwerk

 

Bij een vochtgehalte hoger dan 21% is de kans op houtrot te groot. Het vochtgehalte kan worden gemeten met een vochtmeter.

 

In ruimten met een hoge relatieve luchtvochtigheid wordt bij voorkeur een glans afwerking gekozen. Waterverdunbare verfsystemen kunnen op grond van hun samenstelling eventueel op een vochtige ondergrond worden aangebracht. Gezien de grote waterdampdoorlatendheid van beitssystemen dragen die weinig bij tot de dimensiestabiliteit van hout. Speciaal bij bewegende delen zoals deuren en draairamen is de zwelling of krimp als gevolg van vochtwisseling, een ernstig bezwaar.

 

Bij toepassing van een beitssysteem mag geen afsluitende verflaag of een slappe stofverf in de glassponningen worden aangebracht. De beglazing moet met een duurzame kit en glaslatten worden geplaatst.


Om te voorkomen dat er vochttransport plaats vindt tussen hout en metselwerk of beton, moet het hout met een laag die bestand is tegen alkaliën, beschermd worden (bijvoorbeeld menieverf). De KVT stelt dat spouwlatten rondom met grondlaksysteem en voorlaksysteem moeten worden geleverd, stelkozijnen moeten rondom van een grondlaksysteem zijn voorzien.

 

Principe relatieve vochtafsluiting

Ter voorkoming van blaarvorming bij schilderwerk op geveltimmerwerk kan het principe van relatieve vochtafsluiting worden toegepast. Dit principe houdt in dat we aan de binnenzijde, waar meestal een hogere dampdruk is dan buiten, een meer afsluitend verfsysteem toepassen dan aan de buitenzijde, waardoor het hout naar buiten toe droogt. We kunnen dit bereiken door aan de binnenzijde één laag meer toe te passen dan aan de buitenzijde of door voor een systeem met een lagere vochtregulering te kiezen. Dit principe moet ook bij het onderhoud gehandhaafd blijven. Daarnaast spelen de ventilatie, glasafdichting en detaillering een belangrijke rol. Indien echter door open verstekken of open oude stopverfranden water in het hout kan komen, is de relatieve vochtafsluiting voor waterdamp nauwelijks meer van betekenis.

 

Schilderwerk en condensatie

Voor het verkrijgen van optimaal schilderwerk is het van belang dat er tijdens de verwerking geen condensatie op het hout of tussen de verflagen onderling ontstaat.

 

Condensatie treedt op als de oppervlaktetemperatuur samenvalt of te dicht bij het dauwpunt ligt, ook wel het koude-wand-effect genoemd. Het dauwpunt is de temperatuur van een bepaald lucht-water-dampmengsel, waarbij condensatiewatervorming begint (het maximum aan watergehalte is dan bereikt, de RV = 100%). Het dauwpunt is afhankelijk van de relatieve vochtigheid (RV) van de lucht bij een gegeven temperatuur. Wordt bij die temperatuur de RV lager, dan komt het dauwpunt ook lager te liggen.

 

Ter voorkoming van het koude-wand-effect heeft het de voorkeur om alleen te schilderen als de oppervlaktetemperatuur boven 3 ºC boven het dauwpunt ligt. Het dauwpunt kan worden bepaald met behulp van een nomogram, als de relatieve luchtvochtigheid, de luchttemperatuur en de oppervlaktetemperatuur bekend zijn.

 

Het verdient ook aanbeveling om geen schilderwerk uit te voeren als de RV hoger is dan 85%, omdat bij dit percentage de laagst acceptabele oppervlaktetemperatuur nagenoeg gelijk is aan de luchttemperatuur.

 

>> Naar gratis whitepaer "Basiskennis Bouwkunde Houtverf, verven voor hout"