Het was de avond voor kerst, lang, lang geleden, in een plaatsje in één of andere Achterhoek van het land.

De kersverse bewoners van het net opgeleverde nieuwbouwhuis legden met hulp van de ouders van de hoogzwangere vrouw de laatste hand aan de inrichting van hun plattelandspaleisje.

 

De kerstboom stond opgetuigd in de achterkamer, schitterend verlicht door de spots die kunstig waren ingelaten in het uit grenen latten samengestelde verlaagde plafond. De vader van de vrouw, een timmerman, had het verlaagde plafond ingemeten, het geraamte vervaardigd van stevige grenen balken en de door de heer des huizes zorgvuldig blank gelakte latten blind aan het geraamte bevestigd. Samen hadden schoonvader en schoonzoon de dag ervoor het plafond omhoog getild en opgehangen aan de haken die met fikse pluggen in het snoeiharde beton waren bevestigd.

 

In de keuken bereidden de vrouw en haar moeder het kerstmaal van de volgende dag vast voor, staand aan het granito aanrechtblad met de verzonken spoelbakken, het toppunt van moderniteit. Onder het aanrecht, kunstig omtimmerd met schrootjes, zoemde tevreden de paarse koelkast, met daarin het vlees voor de bourgondische vleesfondue en de garnalen voor de garnalencocktail. Omdat het zondag was, en de winkels ook op eerste en tweede Kerstdag niet geopend zouden zijn en de koelkast niet veel ruimte bood, was een deel van de boodschappen in de koele kelder gestald.

 

Moe maar voldaan leunden de twee mannen achterover in de met tweed beklede rookfauteuils, met uitzicht op de met wel 15 kaarslampjes verlichte kerstboom. Ze namen een sigaret uit het vaasje op de albasten salontafel en staken die aan met de albasten tafelaansteker. Het vuur in de open haard knetterde – de nieuwe cv-ketel deed het nog niet naar behoren – en de regen kletterde tegen de ramen.

 

Er was geen tv – die zou pas jaren later zijn intrede in dit huishouden doen – en op de radio was geen programma dat de mannen beviel. Daarom hoorden ze het zachte gekraak, dat uit de richting van de kerstboom leek te komen. Als één stonden ze op en liepen naar de achterkamer – was er iets met de kerstverlichting? Was er sluiting in de spots? Op dat moment kraakte het verlaagde plafond nog een keer en viel naar beneden. In een reflex vingen de twee mannen het plafond op; de spots brandden nog.

 

Eén buurman werd geroepen en in een mum van tijd stonden meerdere buurmannen de twee bij, werden nieuwe gaten geboord met sterkere boormachines, betere pluggen geslagen en grotere haken geschroefd, zodat het verlaagde plafond weer op de juiste hoogte kwam te hangen. En daar bleef het hangen, tot het vele jaren later als ouderwets werd gezien en zich slechts met moeite liet verwijderen.

 

Grappig genoeg  is in het archief geen enkele foto vinden, waarop het plafond goed staat afgebeeld - de focus ligt steeds op wat er onder dat plafond gebeurde. Maar in mijn herinneringen hangt het er nog steeds, dat plafond – de omlijsting van al die kerstbomen, met elk jaar meer ballen en lampjes, een ideaal kader voor mijn optredens-zonder-schuifdeuren, een knusse hoek met planten en boeken, waar ooit mijn box stond. Een decor voor ontelbare verjaardagsfeesten en oud-en-nieuw-vieringen, met al die buurmannen en -vrouwen van het eerste uur, met blokjes-kaas-met-bolletjes-gember en met oliebollen van die ene buurvrouw, die de allerbeste van heel die Achterhoek bakte.