De brandveiligheid van een gebouw wordt mede bepaald door een brandwerend plafond

In Bouwbesluit 2012 zijn de eisen voor de brandveiligheid van gebouwen opgenomen. Die houden in dat een onderdeel van een gebouw niet zodanig mag zijn samengesteld, dat dit spoedig na het uitbreken van een brand grote hoeveelheden rook ontwikkelt of geheel in brand staat.

 

Voorts stelt het Bouwbesluit (Artikel 2.107. en Artikel 7.15) een aantal eisen aan plafonds betreffende brandwerendheid, brandvoortplanting, rookontwikkeling en druppelvorming.

 

Brandbaarheid

De methode om te bepalen of een bouwmateriaal al dan niet als onbrandbaar moet worden beschouwd is vastgelegd in NEN-EN 13501-1 en NEN 6064. De hierin voorgeschreven beproevingswijze geeft een onderscheid dat uit brandveiligheidsoverwegingen gehanteerd kan worden.

 

Bij de beproeving zijn criteria gesteld waaraan een materiaal dient te voldoen om als onbrandbaar te worden aangemerkt. Voldoet het niet aan één of meerdere van deze criteria, dan wordt het als niet-onbrandbaar aangemerkt.

 

Naar deze maatstaven worden alleen staal, aluminium en enkele specifieke materialen voor brandwerende constructies als onbrandbaar worden aangemerkt.

 

Brandvoortplanting

Onder brandvoortplanting wordt verstaan het zich uitbreiden van een brand in een ruimte. De bepaling van de bijdrage tot de brandvoortplanting van bouwmaterialen staat vermeld in NEN-EN 13501-1. De mate waarin een materiaal bijdraagt tot brandvoortplanting wordt volgens deze norm bepaald door de klasseindeling volgens vlamuitbreiding en vlamoverslagintensiteit. Deze indeling loopt van 1 tot en met 5, waarbij de materialen met klasse 1 de minste bijdrage leveren en die met klasse 5 als ontoelaatbaar moeten worden beschouwd.

 

Het Bouwbesluit verlangt van plafonds in tot bewoning bestemde gebouwen dat de bijdrage tot de brandvoortplanting als bedoeld in NEN 13501 niet meer mag bedragen dan volgens:

  • Klasse 2: in gemeenschappelijke vluchtwegen, behoudens de gevallen genoemd onder het volgende punt;
  • Klasse 3:
    • in niet gemeenschappelijke vluchtwegen en in
    • Open gemeenschappelijke vluchtwegen
    • Besloten gemeenschappelijke vluchtwegen ten behoeve van woningen of wooneenheden die over twee of meer vluchtwegen beschikken
    • Gangen in gemeenschappelijke bergruimten
  • Klasse 4: in overige gevallen.
  • Aan plafonds van niet tot bewoning bestemde gebouwen kunnen volgens het Bouwbesluit nadere eisen worden gesteld ten aanzien van het beperken van de bijdrage tot brandvoortplanting als bedoeld in NEN 13501.
Rookontwikkeling

De mate van rookontwikkeling van een materiaal bij brand wordt uitgedrukt in het rookgetal R. De beproeving en beoordeling van de rookontwikkeling zijn vastgesteld in de NEN 6066. De indeling is als volgt:
 

Materialen met een: Gemiddeld rookgetal R
Zwakke rookontwikkeling  ≤ 5
Matige rookontwikkeling > 5 ≤ 60
Sterke rookontwikkeling > 60 ≤ 150
Zeer sterke rookontwikkeling > 150
Brandwerendheid

Volgens NEN-EN 13501-1 wordt onder de brandwerendheid van een bouwdeel verstaan de maximale tijd (uitgedrukt in minuten) gedurende welke een bouwdeel zijn functie vervult bij een bepaalde voorgeschreven verhitting. Deze functie kan zijn dragend, scheidend, dan wel dragend en scheidend.

 

Plafonds op zichzelf hebben deze functie niet, maar mogen wel meegerekend worden bij de bepaling van brandwerendheid van de vloeren waartegen ze zijn aangebracht, zie Vloeren.

 

De brandwerendheid van plafonds wordt dan ook hoofdzakelijk bepaald in samenhang met het vloertype waartegen ze zijn aangebracht.

 

Speciale brandwerende plafonds en een brandwerend plafond dat is afgewerkt met pleisterwerk kunnen de brandwerendheid van een vloer in belangrijke mate verhogen, zie Plafondafwerkingen.

 

Betreffende brandwerendheid kunnen volgens het Bouwbesluit nadere eisen gesteld worden aan verlaagde plafonds in niet tot bewoning bestemde gebouwen, indien zich daarboven leidingen, kabels e.d. bevinden die uit veiligheidsoverwegingen bijzondere bescherming tegen brand behoeven.

 

Voorts stelt het Bouwbesluit dat plafonds, die doorlopen wanden, een brandwerendheid moeten hebben die tenminste gelijk is aan de helft van de voor die wanden vereiste brandwerendheid.

 

De brandwerendheid van het plafond moet altijd in zijn totaliteit in beschouwing worden genomen, dus de panelen en het ophangsysteem moeten als geheel de brandwerendheid bieden. Het verdient aanbeveling om bij brandwerende plafondpanelen na te gaan of bij het attest ook het ophangsysteem is betrokken.

 

Als brandwerende plafonds worden toegepast, dan moet men de eventuele consequenties van het dagelijks gebruik in acht nemen. Plafonds met uitneembare brandwerende panelen kunnen door wijzigingen snel de eigenschappen verliezen, waardoor brandgevaarlijke situaties kunnen onstaan. Het is aan te bevelen om houten en stalen constructiedelen zelf van brandwerende bekleding te voorzien en als laatste optie eventueel een brandwerend plafond toe te passen.

Gedrag bij brand

Gesloten plafondsystemen kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de brandwerendheid van vloeren. Hiervoor zijn een aantal afwerkingsmaterialen op basis van cement of gips zeer geschikt. Bij toepassing van dergelijke materialen vormt het metaal van de draag- en ophangconstructie veelal de zwakste plek. In geval van brand kan door vormveranderingen (staal) of ten gevolge van een laag smeltpunt (aluminium) de draag of ophangconstructie maatgevend blijken te zijn voor de brandweerstand van de totale plafondconstructie.

 

De toepassing van een 'onzichtbaar' draagsysteem geeft daardoor in de regel een extra bescherming aan de draagconstructie en verhoogt de brandweerstand van het plafond.

 

Product vinden op NBD-Online?

>> Verlaagde brandwerende plafonds

>> Plafondplaten voor brandwerende plafonds

>> Akoestische plafonds (met brandwerende eigenschappen)