Wanneer je vijf mensen een vraag stelt, krijg je vijf verschillende antwoorden...

...en zo is het met woordenboeken en websites ook. Daarom vijf definities van "Dakbedekking" uit vijf verschillende bronnen. Opvallend is, dat dit voor bouwkundigen volstrekt normale woord in Van Dale en het Groene Woordenboek helemaal geen verklaring krijgt.

 

Dakbedekking volgens Wikipedia:

Dakbedekking of dakbekleding is een beschermende laag die op een plat of hellend dak wordt aangebracht, om dit waterdicht, sneeuwdicht en tochtvrij te maken, zodat het dak kan beschermen tegen dieren, hitte, wind en zonlicht.

De dakbedekking moet het liefst onbrandbaar, bestand tegen atmosferische invloeden, licht van gewicht zijn, alsmede weinig onderhoud vragen en eenvoudig zijn aan te brengen. Bij schuine of hellende daken zijn vorm en kleur van de dakbedekkingselementen van belang want zij bepalen uiteindelijk het esthetisch effect van het gebouw waarop ze zijn aangebracht. Bij platte daken speelt dit geen rol, wanneer de platte daken als terras worden gebruikt, worden aan de dakvloer speciale eisen gesteld.

 

Platte daken vragen een geheel waterdichte bedekking. Bij hellende daken moeten de bedekkingselementen afwaterend zijn aangebracht, dat wil zeggen het water dient ervanaf te lopen zonder naar binnen te dringen, het dak is in letterlijke zin niet waterdicht. Verder is het van belang dat de dakbedekking dampdoorlatend is. Is dat niet het geval, dan dient er aan de binnenkant van de dakconstructie een dampremmende laag te worden aangebracht om te verhinderen dat woonvocht in de constructie dringt en condensatie veroorzaakt.

 

Dakbedekking volgens Joost de Vree:

dakbedekking

De dakbedekking is de buitenste huid van het dak. Doel van de dakbedekking is de dakconstructie te beschermen tegen weersinvloeden (regen, hagel, sneeuw, stuifsneeuw, zon, wind e.d.) en soms om het gebouw tochtvrij te maken.

 

Dakbedekking volgens de dikke Van Dale:

…bedekking (v.); Van Dale vermeldt geen betekenis anders dan bedekking van

dak (o.; -en) [van dekken], 1 het gehele samenstel dat de bedekking vormt van een huis of gebouw, bestaande uit de kap, afgedekt met panne, leien, zink, ijzer, riet, stro, e.d., rustend op de muurplaat of balklaag: de zijden van een dak die schuin liggen en van boven elkaar onder een zekere hoek bij de noklijn naderen, of door een plat verbonden zijn heten ‘vlakken’ of ‘schilden’; (gez.) het dak van de wereld, hoogland in zuidelijk Centraal-Azië; een beschoten dak, onder de bedekking met planken beschoten; glazen dak, met glas afgedekt; hard dak, zie bij hard; week dak, met riet, stro, zoden enz.; Duits dak, met twee schilden; Hollands dak, met vier schilden; (zegsw.) op dat huis ligt een papieren, een zilveren dak of er liggen papieren balken onder, het is met de hypotheek bezwaard; onder dak, in (een) huis, binnen; (uitdr.) onder dak komen, huisvesting vinden; (uitdr.) hij is onder dak, heeft een dak boven zich, (ook) heeft een betrekking, is goed bezorgd; (uitdr.) onder dak brengen, huisvesting bezorgen, (ook) aan de man brengen; (uitdr.) onder één dak wonen, hetzelfde huis bewonen; (spr.) vrijen onder één dak (is geen ere, ‘t)is een groot gemak, het gemakkelijk vrijen als men in hetzelfde huis woont of vertoeft; (uitdr.) je mag blij zijn, als je tegenwoordig een dak boven je hoofd hebt, als je een woning, huisvesting hebt; (uitdr.) in het dak blijven (zitten of steken), onafgedaan blijven, vergeten worden (doelt oorspr. op rietdekkersgereedschap dat in het dakriet vergeten is); (zegsw., gew.) het weert op zijn dak, zie bij weren2; (uitdr.) iem. op zijn dak hebben, krijgen, voor hem te zorgen hebben, (ook) er last van hebben; (uitdr.) iem. op zijn of het dak vallen, onverwachts bij hem aankomen; (uitdr.) dat krijg ik op mijn dak, daarvan krijg ik de schuld, daar zal ik voor moeten boeten; (uitdr.) iem. iets of iem. op zijn dak schuiven, sturen, toeduwen, (ook) zich eraf maken en een ander ermee opknappen (m.betr.t. personen) afsturen op -; (uitdr.) het viel me koud op mijn dak, het was een zeer onaangename verrassing; (uitdr.) iem. op zijn dak komen, zitten, hem een standje geven, (ook) hem slaan, ranselen; (zegsw., gew.) het zal ook wel op zijn dak regenen, hij zal dat onaangename ook moeten ondervinden; (uitdr., inform.) ga nou gauw op ’t dak zitten!, uitdrukking waarmee men een verzoek afwijst of uitdrukt dat men iets niet gelooft; (zegsw.) de speelman is van het dak, de wittebroodsweken, de dagen van pret zijn voorbij; (zegsw.) er is (te veel) dak op het huis, er zijn te veel pannen op het dak, er zijn ratten op het dak, er zijn te veel mensen bij die het niet mogen horen; (gez.) het ging van een leien dakje, vlot en zonder stoornis, (ook) gezegd van iem. die vlot iets opzegt of voordraagt; (uitdr.) iets van (op) de daken verkondigen (vgl. Matth. 10:27), alom bekendmaken; (uitdr., inform.) door het of uit zijn dak gaan, bijna uitzinnig worden (van woede, vreugde); 2 (bij vrg.) bedekking, dekstuk van andere zaken: het dak van een auto, een tram- of spoorwagen; 3 (mijnb.) bovenkant van iedere ruimte in ondergrondse werken; 4 (geol.) daklaag; 5 (meton.) woning: mijn nederig dak.

 
Dakbedekking volgens het Groene Woordenboek:

…bedekking (v.); het Groene Woordenboek vermeldt geen betekenis anders dan bedekking van

dak [het; -en] • bedekking van een gebouw, voertuig enz.; kap: dakstoel, nok(vorst), schilden (hellende zijvlekken), daklatten (tengels), balkwerk, hanenbalken, overstekende dakrand (met lijst), dakgoot en windveer) van een dak; schoorsteen op een dak; plat, schuin dak; helm-, lessenaars-, mansarde-, schild-, zaag-, zadeldak; onder één dak, in hetzelfde huis; geen dak boven het hoofd hebben, dakloos zijn; dakbalk, -bedekking, -beschot, -bint, -gebinte, -geraamte, -gording, -raam, -schoor, -spant(rib), -spar, -spruit, -terras, -tuin * hij kan het dak op, ‹spreektaal›  opvliegen * onder dak zijn, gehuisvest, geborgen * iem. iets op zijn dak schuiven, hem er mee opschepen; iets, iem. op zijn dak krijgen *  dat viel me koud op mijn dak, was een onaangename verrassing voor me * uit zijn dak gaan,  ‹spreektaal›  zijn beheersing verliezen * iets van de daken schreeuwen (verkondigen), rondbazuinen * het ging van een leien dakje, heel vlot * zie ook MUS, WERELD

 

Dakbedekking volgens het Kluwer Bouwkunde woordenboek Nederlands-Engels-Duits:

D62 dakbedekking

EN roof cladding, roof covering

DE Dachdeckung (v), Dachhaut (v), Dachbelag (m)